De Staat van het Onderwijs

Op 12 april publiceerde de Inspectie ‘De staat van het Onderwijs 2016’. Hierin wordt jaarlijks gekeken naar de stand van zaken in het onderwijs. Vooral de verschillen tussen vergelijkbare scholen trekken de aandacht. Uiteraard kijk ik vooral wat er rond et primair onderwijs gebeurt.

In veel reacties lees ik dat er beslist meer geld naar het onderwijs en dat de klassen kleiner moeten. Nou heb ik zeker veel sympathie voor het idee om scholen een groter budget toe te kennen, maar geld op zich lost natuurlijk niets op. Pas als het geld op een zinvolle manier besteed wordt, kan het iets bijdragen aan een kwaliteitsverbetering. Vreemd genoeg worden voor die besteding maar weinig concrete voorstellen gedaan.  

Ik denk zelf ook niet dat simpelweg meer geld de sleutel is. Immers, we hebben over kwaliteitsverschillen tussen scholen die op dezelfde wijze bekostigd worden. Het ligt dus voor de hand om te concluderen dat de ene school zijn geld simpelweg beter besteedt dan de andere.  

Ook de roep om kleinere klassen past goed bij de trend. Vooral tijdens de verkiezingscampagnes lieten vakbonden en de PO-raad geen moment voorbijgaan om te roepen dat de klassen kleiner moeten. Met redelijk succes; vergelijkbare geluiden hoor je nu ook bij diverse politieke partijen. Maar is dat wel terecht?

 In de eerste plaats is het zeer de vraag of kleinere klassen nou echt veel opleveren, als het gaat om leeropbrengsten. Internationaal onderzoek suggereert dat dat effect pas echt iets voorstelt als je de klassen verkleint tot 15 à 18 leerlingen. Zo’n sterke verkleining stelt niemand voor, en zou trouwens ook ten koste gaan van de sociale relaties die een leerling kan leggen. 

Een klassenverkleining heeft wel een ander effect: er moet een behoorlijke hoeveelheid personeel bij, zowel leerkrachten als directeuren. En aan beiden zal de komende jaren een oplopend tekort ontstaan. Dat tekort loopt verder op door de klassen te verkleinen, waardoor er aanzienlijk meer noodgrepen nodig zullen zijn. Die noodgrepen zullen over het algemeen de kwaliteit van het onderwijs niet versterken. 

Een laatste kanttekening komt rechtstreeks uit de Staat van het Onderwijs. Op pagina 67 staat dat de gemiddelde groepsgrootte al jaren stabiel is, op iets meer dan 23 leerlingen. Het aantal groepen met meer dan 30 leerlingen is wel iets gestegen, tot 6,6%. Het aanpakken van die excessen heeft voor de meeste leerkrachten dus niet eens effect.

 Maar wat dan wel? Ook daarvoor geeft het rapport duidelijke handvatten:

  • Versterk de afstemming tussen de leerbehoefte van de kinderen en het lesaanbod.
  • Verbeter het zicht op de ontwikkeling van de leerling. Hier scoren “ruim twee van de tien scholen” goed op, en een op de zeven echt onvoldoende. Opvallend genoeg gaat dit in het SBO juist heel goed.
  • Geef effectieve feedback aan de leerling. Het ligt zo voor de hand: praat even over wat er wel en niet goed gaat, en trek daar lering uit. De Inspectie merkt op dat juist jonge leerkrachten hier beter in zijn dan de ervaren “rotten”.

 In mijn ogen zijn dit allemaal ingrepen die geen enorme investering vragen. Dat verklaart ook dat de sommige scholen simpelweg efficiënter omgaan met een vergelijkbaar budget.

 Ook een artikel in Trouw van 13 april wijst in die richting. De Al Ishaan in Lelystad ontwikkelde zich van zeer zwak tot een toonbeeld. Ook hier doen ze dat met gratis veranderingen: gerichte feedback aan de leerlingen, gevraagde en ongevraagde collegiale consultatie en een sterk verantwoordelijkheidsgevoel bij de leerkrachten. Dat laatste hangt samen met het stellen van concrete (en haalbare!) doelen en de trots als de doelen daadwerkelijk behaald worden. Ook maakt de school een duidelijke afweging in de afstemming van het onderwijs op de doelgroep. Vooral veel taal en rekenen, dan maar wat minder cultuur.

 Het zou toch elegant zijn als alle belangenorganisatie niet alleen de hand ophouden, maar ook de blik op de sector zelf richten.