Meten is weten?

Het is een oude zegswijze, vooral uit de hoek van de Bèta-wetenschappen en techniek. Meten is weten. En eerlijk is eerlijk, wij hebben veel te danken aan deze manier van kijken naar de wereld. Als je een kast gaat timmeren of een school gaat bouwen is het wel fijn als alles goed gemeten wordt.

Ook in het onderwijs heeft “meten is weten” ongeveer sinds de jaren ’90 opgang gedaan. Met vallen en opstaan worden leerlingen en scholen beoordeeld op allerlei meetbare, concrete parameters. Uiteraard met de uitkomsten van de CITO-toetsten voorop. Misschien wel het hoogtepunt hier van werd bereikt in het Amsterdamse KBA-traject. Op basis van allerlei meetbare criteria werd gewerkt aan de verbetering van scholen. Of, volgens sommigen, werd gezorgd dat leerlingen beter werden in het maken van CITO-toetsen.

De laatste tijd hoor ik steeds meer tegengeluiden, bijvoorbeeld de brief die onlangs door de algemeen directeur van het openbaar onderwijs Assen aan de leerlingen van zijn groepen 8 gestuurd werd. Die liet zich samenvatten als “Welke score je ook haalt op de CITO-toets, wij weten dat jij meer bent dan alleen dat cijfertje.” En dat is natuurlijk helemaal terecht. Welke data-set je ook samenstelt, het geeft nooit een volledig, eenduidig en overzichtelijk beeld van ‘de’ onderwijskwaliteit.

Er doet zich nog een probleem voor. Het is tegenwoordig steeds eenvoudiger om grote hoeveelheden gegevens te verzamelen. De NSA bijvoorbeeld doet nauwelijks iets anders. Maar die zelfde NSA moet ook steeds vaker erkennen dat data vergaren iets anders is dan –bijvoorbeeld- terrorismeverdachten opsporen. Er worden meer hooibergen gebouwd dan dat er spelden gevonden worden. Waar ze tegenaan lopen is het verschil tussen data en informatie.

Moeten we dan maar stoppen met meten? Dat zou ik jammer vinden. Er zijn genoeg elementen die je goed en eenvoudig kan meten én die iets zeggen over je onderwijsorganisatie. Je moet alleen wel goed bedenken welke informatie je nodig hebt. Vergelijk het met je auto. Technisch is het mogelijk om ieder denkbaar onderdeel nauwlettend in de gaten te houden. Maar je moet er niet aan denken hoe je dashboard er dan uit komt te zien. Laat staan dat je moet verwachten dat je aan je dashboard ziet of je in een goede auto zit.

Het is dus nodig om ons te bezinnen op de vraag welke gegevens relevant zijn om te verzamelen en hoe deze op een praktische wijze zijn om te zetten in informatie met zeggingskracht. Om de metafoor van de auto nogmaals aan te halen: het minimum is om te weten hoe hard je gaat en of je nog benzine in je tank hebt. Een toerenteller is heel aardig, maar een ervaren chauffeur hoort aan het motorgeluid ook wel of het tijd is om te schakelen.

Welke gegevens in het onderwijs relevant zijn om te meten, is uiteraard afhankelijk van de situatie. Als je wilt weten of een verandering van het rekenonderwijs ook echt een verbetering is, moet je heel andere informatie opstellen dan als je wil weten of bezuinigingen effect hebben. Zelf heb ik een rapportage ontwikkeld waarmee scholen en besturen meer inzicht krijgen in de ontwikkeling van het leerlingenaantal en het belangstellingspercentage voor de school. Klik hier voor meer informatie daar over.

Wie durft? Stoppen met de inspectienormen, starten met het toetsen van eigen normen. Weet wat je meet!